Tussen Pakolaiset en Pelkolaiset

PaulNou, toegegeven, het was een iets kleiner evenement dant de vredesdemonstraties in Amsterdam en Den Haag uit mijn ver verleden jeugd, maar de demonstratie in Tornio voor open grenzen was even goed bedoeld. Ik zeg wel tegendemonstratie, maar het was eigenlijk een positieve aangelegenheid; een roep vóór open grenzen en mensenrechten. Ik noem het een tegendemonstratie omdat ie geoganiseerd werd tegen de anti-immigratietokkies uit het zuiden van Finland welke wederom naar Tornio waren gekomen om tegen ons te roepen dat de grenzen dicht moesten en de klok teruggedraaid naar de vijftiger jaren.

Demonstratiebegin

Wij waren met een paar honderd, hullie met een paar duizend (althans zo klonk het), dus kwalitatief gezien waren we verreweg in de meerderheid (NB: volgens de krant waren er 350 dichtegrenzers en 150 opengrenzers). Wij hadden onderwijzers en kunstenaars, hullie grote monden. Wij hadden een band, hullie een brandweerwagen en vlaggen, vooral veel vlaggen. Je moet je toch ergens achter kunnen verschuilen als je bang bent.

Demonstratiestilte

Gelukkig was het beter weer dan de vorige keer, al maakte de laagstaande herfstzon het fotograferen wat lastig. Anderzijds wilde misschien niet iedereen herkenbaar op de foto, want de bangen uit de titel (vrij vertaald “tussen vluchtelingen en bevreesdelingen”), zijn niet te bang om anonieme bedreigingen te uiten aan het sociale media-adres van de stemmen der redelijkheid. Ik zit eigenlijk nog te wachten op zo’n compliment…

Enfin, nadat ze op en neer geparadeerd hadden, maakten hullie nog snel even gebruik van onze open grens om in Zweden snus in te slaan voor de terugreis naar Tampere, Lahti, of waar ze dan ook vandaan kwamen. Wij gingen toen ook maar weer naar huis…

Advertisements
Posted in Paul Nijbakker, Standplaats Tornio | Tagged , , | 4 Comments

Zweden, het gemankeerde paradijs… deel 4

PaulGrotendeels in gedachten verzonken spoorden wij van Sundsvall naar Stockholm met de bedoeling om daar de Noord-West Express weer op te te pikken voor de uiteindelijke thuisreis. Het noodlot of wat daarvoor doorgaat wilde echter dat we met vertraging arriveerden in de hoofdstad. Beteuterd stonden wij op het perron vanwaar wij hadden moeten vertrekken, maar de trein was allang weg, en enigszins bedremmeld keken wij om ons heen, want onbehaagd en onbemiddeld. Geld voor een hostelovernachting hadden wij niet en op het station slapen kon niet. Prachtige politieagenten in blauwe uniformen met witte tressen en witte handschoenen (en vast ook nog de koperen fluit!) streden rond en schudden iedereen wakker die onvoorzichtig de ogen sloot. Toen viel onze blik op een verdwaalde baardmans en de zijne op ons.

Ons hart sloeg een slag over, voorwaar een drugsverslaafde die ons ging beroven en nog veel erger. Als we niet al zestien waren geweest, hadden wij ons bevend aan elkaar vastgeklampt, maar nu restte ons slechts slikkend het onvermijdelijke af te wachten. Inderdaad benaderde de woesteling ons omzichting, ongetwijfeld met een hoofd vol plannen voor gebroken benen en gescheurde oogkassen. Het was hem aan te zien dat ie zo uit de oerbossen kwam…

“Ja”, zei de bruut. “Ik heb ook de trein gemist. Maar ik heb een vriend die in Stockholm woont. Als jullie wat kleingeld hebben kan ik hem bellen en dan hebben we een plek om te overnachten.” Hoewel ik twijfelde of die barbaard wel een vriend kon hebben, lepelden Cor en ik muntjes op uit onze broekzakken die harige harry gretig ontving. Een openbare telefoon (die had je toen nog op ieder perron), was snel gevonden en een tweegesprek ontspon zich, waarvan wij slechts de onverstaanbare helft te horen kregen.  Wat werd daar afgesproken? Waar onze ontzielde lichamen gedumpt zouden worden? Wij rilden van fascinatie.

Even later hing de holbewoner de hoorn op de haak en wenkte ons mee naar de taxistandplaats voor het station. Wij keken voor waarschijnlijk de laatste maal naar de kleurende Zweedse avondhemel; het was treurig zo te moeten eindigen, vaarwel wrede wereld… Toen stopte Jyrki met zijn oude Volvo voor ons. “Hei”, zei hij tegen de vermoedelijke lustmoordenaar die ons had meegelokt. “Hei, pitkäistä aika”, zei deze en wij ontwaarden zowaar enige warmte in zijn stem. Misschien was alle hoop nog niet verloren. Jyrki was in tegenstelling tot zijn vrind, kort blond en gladgeschoren. Wat onhandig zei hij, “Welkom” tegen ons. En we propten ons gevieren in zijn Amazon.

Over ruimbaanswegen reden we het centrum uit naar de voorstad, Märstä, een soort Bijlmer maar met minder hoge flats. Jyrki parkeerde zijn vehikel in een goedgevulde parkeerplaats tussen ander Volvo’s en Saabs. Hij liep al weg van de auto voordat wij onze rugzakken eruit gesjord hadden. “Moet je de auto niet op slot doen?” verwonderden wij ons. Daar moesten Jyrki en zijn vriend om lachen. “Hoezo?” vroegen zij zich af. Autodiefstal was toentertijd in Stockholm nog schijnbaar onbekend. Het was ons eerder al opgevallen dat mensen in Zweden hun bezittingen zomaar onbeheerd achter lieten op stations en in parken zonder zich zorgen te maken dat die wellicht gestolen konden worden. Dit was ook duidelijk nog vóór de tijd dat ieder onbeheerd stuk bagage prompt door de EOD opgeblazen werd.

Jyrki liet ons binnen in zijn huis en wij maakten het ons gemakkelijk op de vloer van de woonkamer in onze slaapzakken terwijl de bosbewoner zich op de bank neervlijdde. De nacht vergleed zonder dat er een wurgkoord om onze halsen werd aangetrokken en ook werden wij niet wakker met een bijl in het achtehoofd. Het was met andere woorden een alleszins ontspannend slaapje geweest. De volgende ochtend aten we met Jyrki en zijn vrouw en jonge dochter ontbijt. Cor met zijn gebruikelijke eetlust liet zich niet onbetuigd met de kaasschaaf. “Dure Finse kaas”, hoorde ik Jyrki bezorgd mompelen tegen zijn landgenoot, want, ja, dat had ik nog niet vermeld, maar onze redders in nood waren Finnen, een volk waar wij eigenlijk nauwelijks iets vanaf wisten en van de zwijgzame twee vrinden werden wij niet veel wijzer, maar daden spraken meer dan woorden.

Even later in de trein naar Kopenhagen waren we het erover eens. Zweden was een paradijs op aarde. We zouden volgend jaar zeker weer terugkeren. We kletsten zo onze bebaarde metgezel de oren van het hoofd en bedolven hem onder plakken chocolade, totdat hij even naar de WC moest en niet meer terugkeerde. Dat was begrijpelijk want weldra gingt de trein weer op de veerpont tussen Helsingborg en Helsingör en wij moesten nieuwe taxfree chocolade inslaan. Daarvan voorzien zaten we even later op het station van Kopenhagen met zijn bewerkte houten overkapping.We hadden tijd over tot de volgende trein dus wat te doen. Net buiten het station was het oude pretpark Tivoli dat ik kende van de verhalen van mijn ouders die daar in de jaren 1950 geweest waren. Dat wilden we wel eens bekijken. Zonder dat wij het wisten was de hoofdingang, met de kaartjesverkopers om de hoek. Wat wij zagen was de ingang voor abonnementshouders, waar wij mensen zonder meer naar binnen zagen lopen en wij wandelden er straalonschuldig achteraan, echt waar. Er waren geen controleurs toen… Zo zagen wij het beroemde park zonder en cent te spenderen en dat kon ook niet want onze laatste kronen hadden wij op de boot al uitgegeven.

Na een aangenaam verpozen keerden we terug naar het station om de trein af te wachten. De hal was vol van backpackers en-sters. Eentje van die laatsten raakte in een geanimeerd gesprek met Cor en, horende van onze drieste avonturen in de woeste wouden van het Noorden, wilde zij dat wij met haar en haar vriendinnen mee zouden Interrailen naar het Zuiden (vast als bodyguards). Toen ze hoorde dat we pas zestien waren en geen Interrailbiljet hadden verflauwde haar aandacht raadselachtig genoeg, maar voor Cor stond het daarna als een paal boven water dat onze volgende reis naar het zuiden zou leiden…

En hier schrijf ik nogmaals, wordt vervolgd…

Posted in Paul Nijbakker, Reisimpressies | Tagged , , , | 11 Comments

Grensgevalletje

PaulTja, dames en heren lezers van dit blog, Tornio, Finland, was weer eens wereldnieuws afgelopen weekend. Door mijn overvolle agenda was het bijna aan mij voorbijgegaan, letterlijk en figuurlijk, maar de vluchtelingencrisis heeft nu ook Fins Lapland bereikt. De uitlopers van de golf die eerder in Zuid-Europa aan land kwam zijn nu in Zweden aangekomen en dat land loopt al over van de vluchtelingen en probeert ze af te schuiven naar dit buurland dat in EU kader heeft toegezegd 24 000 vluchtelingen op te vangen. Om tijd te winnen had Finland alle veerdiensten al verplicht om alleen personen met identiteitspapieren te vervoeren, maar eind vorige week kwamen dan de eerste bussen met Syriërs en dergelijke aan bij de landgrens tussen Haparanda en Tornio.

Die grens was in beide wereldoorlogen al een oversteekplaats voor vluchtelingen. Tijdens de Laplandoorlog vonden zo’n 100 000 Finnen aan de Zweedse kant van de grens een goed heenkomen en eerder al waren tienduizenden Finse kinderen naar Zweden verscheept om aan de oorlog te ontsnappen.

Lange tijd was Finland geen geliefde bestemming voor vluchtelingen. Aanvankelijk was dat omdat het land arm was en in de schaduw stond van de Sovietunie. Later, toen het economisch beter ging, nam het land per annum enkel een vast quotum bona fide UNHCR vluchtelingen op. Die laatsten werden dan aardig in de watten gelegd, maar land en volk bleven bekend staan als koud en moeilijk; vooral de taal is een obstakel. De meeste vluchtelingen die nu door Zweden aan de grens worden afgeleverd zouden dus liever in Zweden blijven, maar men heeft ze verteld dat in Finland de voorzieningen minstens zo goed zijn.

Finland was niet echt voorbereid op een grote toestroom van asielzoekers. Er is aan de grens bijvoorbeeld niet genoeg politiepersoneel om alle nieuwkomers te registreren. Ook was er geen opvangcapacitieit. Om het goede voorbeeld te geven, stelde de Finse premier, zijn eigen (genereuze) woning beschikbaar voor vluchtelingen. Diverse gemeenten wezen leegstaande schoolgebouwen en kazernes aan. En in het staatsbudget is ondanks alle bezuinigingen ruimte gemaakt voor de operatie. Het is ironisch dat dit gebeurt juist nu de anti-immigratiepartij, Perussuomalaiset, in de regering zit.

Demonstranten en publiek

Grensoverschreidende grensblokkade; de demonstranten staan deels in Zweden.

Dat dit de achterban niet zint mag duidelijk zijn. Een club neo-nazis en geassorteerde racisten had dan ook voor Zaterdag grootschalige acties en aanslagen aangekondigd in Kemi en Tornio. Politiepatrouilles werden van heinde en verre naar de regio gestuurd. De aanslagen bleven uit (ook omdat het ‘s nachts rotweer was), maar Zaterdag kwamen er een paar honderd man en vrouw opdagen om dapper de grenovergang tussen Tornio en Ikea te blokkeren. Er werd wat gewuifd met vlaggen en bordjes met ”Kansa ensin” (Eigen volk eerst) en er werd wat onverstaanbaar gebrald en gejoeld. Maar erg bedreigend was het allemaal niet. Er waren meer toeschouwers dan deelnemers eigenlijk. Toen het begon te regenen ging iedereen maar koffiedrinken.

Welkomzeggers

Tja, de massale tegendemonstratie, ahem…

Wat achteraf stond ook een handjevol tegendemonstranten en daar ben ik toen maar bij gaan staan. Alhoewel ik het onzin vind om met hartjes te gaan zwaaien. Je hoeft niet van vluchtelingen te houden, maar je moet ze helpen en hopen dat ze weer spoedig terug naar huis kunnen. In Fins Lapland is best plaats voor wat extra mensen. Als alle 24 000 in Lapland zouden worden gehuisvest, zitten we nauwelijks aan de bevolkingsdichtheid van 1990.

Handelsafdeling van het MBO

Stond te huur, wordt nu ingericht als een soort AZC-tje

Voorlopig is er in Tornio een noodopvang ingericht in de sporthal van de lokale MBO en een leegstaand gebouw van dezelfde school is bestemd voor iets langer verblijf. Het voormalige gebouw van de VWO opent morgen als opvangscentrum, waar binnenkomende asielzoekers worden geregistreerd en maximaal drie weken kunnen verblijven, terwijl elders huisvesting voor ze gevonden wordt.

Het VWO gebouw

Voordat het een VWO school werd was dit stevige pand al een kazerne voor Russische soldaten en twee keer een veldhospitaal. Vluchtelingenopvang zal dus ook wel lukken.

Posted in Paul Nijbakker, Standplaats Tornio | Tagged , , | 12 Comments

Zweden, het gemankeerde paradijs… deel 3

PaulDe volgende ochtend stelden wij vast dat de bewoners van het vakantiehuisje in de nacht waren teruggekeerd op hun tomt. Enigszins verlegen klopten wij na het opbreken van de tent aan om met terugwerkende kracht toestemming te vragen voor het kamperen. Gelukkig bleek dat geen enkel probleem te zijn, we werden door het Zweedse gezin zelfs uitgenodigd aan tafel voor een Zweeds ontbijtje. Het gezin bestond uit een Zweedse vader, een Zweedse moeder en een Zweedse zoon van onze leeftijd, Kjell, die ons Zweeds hout liet hakken met een Zweedse bijl. Voor hem was dit misschien een saai klusje maar voor ons een nieuwe uitdaging. Gedrieën lieten we de splinters vliegen en hakten genoeg hout voor de hele rest van het jaar (zo voelden onze armen tenminste na afloop) en daarna werden we door de familie naar het station gebracht (in een Volvo natuurlijk).

In de trein terug naar Sundsvall bespraken we nog hoe jammer het was dat Kjell geen zuster van onze leeftijd had gehad, à la Camilla Malmqvist uit de TV-serie Lycka till!, die wij later dat jaar zouden zien (Ja, het klinkt wat raar, maar zo stak het in feite in elkaar). Daarna staarden we dromerig uit over de eindeloze, ruisende wouden van Scandinavië tot we in de late namiddag wederom de klim moesten maken naar de jeugdherberg op de heuvel buiten Sundsvall. Als de beheerster verbaasd was dat we na een kleine week alweer terugkeerden van onze fjällexpeditie dan liet ze dit niet merken. Wij kregen een kamer met een duo Franse studenten die hun overdaad aan lichaamsbeharing matchten met een overdaad aan lichaamsgeur. Cor en ik maakten noodgedwongen een lange avondwandeling om een fris luchtje te scheppen. En de volgende ochtend, nadat ik per abuis via een niet afgesloten tussendeur in de damesdoucheruimte was beland (van die dingen, gebeuren als je nog onschuldig bent en de taal niet spreekt), vertrokken wij getweeën om dan nu het Zweese stadsleven te gaan verkennen.

Wij daalden de heuvel af en begaven ons naar het centrum. In Zweedse steden, voor de komst van de megamarkt en het winkelcentrum, waren destijds de grootste winkels en andere bezienswaardigheden geconcentreerd langs de hoofdstraat die met fantasieloze steevastheid Storgatan of Kungsgatan heet. Bij onze eerste aankomst in Sundsvall op de late avond en volgend vertrek op de vroege ochtend hadden we weinig volk op straat gezien (de route naar de jeugdherberg leidde ook weg van het centrum). Nu in de vakantiezon was dat wel anders. Het werd ons vreemd ongerust te moede: wat was hier gaande?

Je zag ze quasi-verveeld hangen in portieken, semi-onschuldig zitten op parkbanken of faux-frivool flaneren in de zomerzon: blondines waar je maar keek, de hele stad was er vol mee! Als naturel bruinharigen (toen nog, nu is het meer grijs) vielen we opvallend uit de toon. Af en toe terwijl wij de etalages bekeken (een budgetbeslissing), kwam er een koppeltje van die Agneta’s voorbijslenteren om, en dat was in de weerspiegeling van het glas duidelijk te zien, te kijken of we keken. En dat deden we, onze ogen uit…

Ze doen het expres, siste ik tegen Cor. Een gewaarschuwd schooljongen telt voor twee, of toch tenminste anderhalf! Dus wij wisten ons gelukkig zonder kleerscheuren uit dit lastige parket te bevrijden. Ik bedoel één blondine, dat is leuk voor de afwisseling. Wij hadden ooit Yolanda van den Herik in de brugklas en daar hadden wij toen geen enkel probleem mee. (Nu is ze een Amerikaanse reality-TV ster; dat is wat minder). Twee blondjes is nog lachen (zie bijvoorbeeld “White Chicks”, 2004), maar drie wordt al belachelijk, stel je dan eens een hele bende van die pigmentgehandicapten voor… In die jaren was lang blond haar klaarblijkelijk in de mode, de Zweedse missen scoorden hoog in schoonheidswedstrijden en Yvonne Ryding werd in 1984 zelfs Miss Universe, maar men kan ook overdrijven!

Wij wisten ons bij terugkomst in de jeugdherberg het klamme zweet van het voorhoofd (enfin, de klim naar de top van de heuvel zal daar deels debet aan geweest zijn, maar toch…) en we waren bijna opgelucht toen wij de zwartharige (met nadruk op -harige) Fransozen weer terugzagen. Toen ik later leerde dat de Franse soldaten in de Eerste Wereldoorlog bekend stonden als les poilus (“de harigen”), kreeg ik subiet flashbacks, maar goed ik dwaal af.

Het was ons duidelijk dat wij in dit oord niet veilig waren en ook onze reiskassa was dat niet. Het prijsniveau in Zweden lag in die tijd aanzienlijk boven het Nederlandse. Wij konden op onze kronen natellen dat onze studiereis noodzakelijkerwijs ten einde liep. Onder weemoedige zuchten van Cor stapten wij de volgende dag dan maar weer op de trein naar het zuiden… (Wordt nog een keer vervolgd)

Posted in Paul Nijbakker, Reisimpressies, Standplaats Tornio | Tagged , , | 5 Comments

De Blauwe Ster met het Rode Haar (Vijfde Boekske)

PaulBoekomslag ZweedsDeze maand kwam deel vijf uit in Jan Guillou’s ambitieuze romanserie, De Grote Eeuw. Het boekske heet Blå Stjärnan, letterlijk vertaald De Blauwe Ster, of gewoon Blauwe Ster. Deze titel refereert aan de codenaam van de hoofdpersoon, die de Zweedse verdedigingsorganisatie van dezelfde naam als dekmantel gebruikt in het verhaal. De Zweedse Blauwe Ster was een vrijwilligersverband dat in oorlogstijd de dieren in de krijgsmacht (meest paarden) verzorgde. Het was oorspronkelijk de Rode Ster (analoog met het Rode Kruis), maar tijdens de Winteroorlog werd dat veranderd omdat de soldaten geen verschil konden maken tussen de ster van de dierenverzorgers en die van het Rode Leger!

De hoofdpersoon in dit boek is Johanne, de oudste dochter van Laurits Lauritzen die de hoofdrol speelde in deel vier. Het verhaal beschrijft dezelfde tijdsspanne, de Tweede Wereldoorlog, maar nu dus vanuit het perspectief van een vrouw. Aan het begin neemt de schrijver wat bladzijden om dat oogpunt uit te werken, maar Johanne is uiteindelijk niet erg anders dan alle andere Guillou helden. Ook zij is meervoudig getalenteerd, erg aantrekkelijk en slaagt in al haar ondernemingen. Zo heeft ze een doktorsgraad in literatuur, spreekt drie talen vloeiend, is een briljant spion in het Noorse verzet en een kapitein in het Britse leger en nog veel meer. Onder haar vrienden en bekenden rekent ze onder anderen de dichters Karin Boye en Gunnar Ekelöf.

In dit boek grijpt Guillou terug op zijn oude stiel uit de Hamilton-dagen, de spionage roman. De spanningsboog van het verhaal is verdeeld over een handvol illegale operaties geïnterpuncteerd met momenten van ontspanning in de familiekring. Het verhaal loopt lekker en de historische achtergrond blijft ook meestendeels op de achtergrond. Dat kan, omdat de grote gebeurtenissen en veel van de bijfiguren al in deel vier de revue passeerden, wat het aanvankelijk wat lastiger zal maken om in het verhaal te komen voor degenen die dat vierde boekske niet hebben gelezen.

Wat het werk gemeen heeft met deel drie is dat het  nogal abrupt eindigt. De laatste jaren van de oorlog worden eigenlijk overgeslagen. Wellicht gaat de leeftijd tellen voor de auteur, die al over de 70 is, en wordt de druk om elk jaar een boek uit te brengen teveel. Het valt te hopen dat dat niet een patroon wordt in de verdere uitwerking van het gegeven, de Grote Eeuw. Anderzijds, is er de mogelijkheid dat deel zes de oorlog gaat beschrijven vanuit het perspectief van een SS officier: Dat zou nog eens een storm veroorzaken in de literaire wereld in Zweden. Waar Jan Guillou al gewend is aan controverses over zijn boeken, zou zo’n escapade alle dijken van kritiek door laten breken. Des te meer om naar uit te zien dus.

Afrondende conclusie: Een heel leesbaar geheel, mits in combinatie met het voorgaande boekske.

Posted in Boekbeschrijving, Paul Nijbakker | Tagged , , | Leave a comment

Zweden, het gemankeerde paradijs… deel 2

PaulTja, daar stonden wij dan weer bedremmeld op het stationnetje van Storlien. Wat te doen? Goede raad was duur, zeker met de koers van de Zweedse kroon destijds. Tot overmaat van ramp was de voorraad yogo yogo ook uitgeput! Om toch aan onze zuivelverslaving tegemoet te komen hadden we uit arren moede maar een liter filmjölk aangeschaft; met onze nog ontkiemende meertaligheid meenden we dat dat wel “volle melk” moest betekenen. Het gevolg was dat we, na de eerste slok, kokhalzend de verpakking in de vuinisemmer sodejumieterden. De melk was slijmerig en zuur, getver, vast bedorven! (Pas veel later leerde ik dat filmjölk de Scandivavische versie is van yoghurt.) No milk today en de eerstvolgende trein ging pas de volgende dag, pim pam pet!

Enfin, na weer een nacht doorgebracht te hebben op het grasveldje achter station Storlien, hesen wij ons weer in de trein, met het voornemen uit te stappen op een plaats die er overleefbaar uitzag. En dat werd Duved aan de Indalsälven. Cor had met arendsblik een waterval gespot dus wij haasten ons de trein uit. Duved had een camping, maar daar haalden wij onze neus voor op. Wij waren geen verwende toeristen, wij trokken de wijde wildernis in. Even later hadden we de tent opgeslagen in de achtertuin van een Zweeds vakantiehuisje (Ja, het nadeel van de woeste wildernis is dat er weinig vlakke grasveldjes zijn en de bewoners waren toch niet thuis, enne…).

Onze eerste excursie betrof de ”waterval”. Die was een kleine twee meter hoog, maar was desondanks de grootste die wij ooit hadden gezien. Cor ging er meteen een bad in nemen, en dat duurde een hele rits-rats-click; het was geen zwembadtemperatuur. Ik hield het bij pootjebaden, mijn koudwaterresistentie had ik de zomer ervoor al bewezen in de Amblève. De volgende ochtend vertrokken wij voor een woeste wildernistocht, alhoewel we aanvankelijk langs het spoor liepen, want dat schiet zo lekker op; gelukkig kwam er slechts vier keer per dag een trein langs.

Uiteindelijk bogen we af de jungle in en over hertenpaadjes ging het verder langs het water. Beducht voor alle eventualiteiten (met wilde woeste dieren is de natuur gevuld) slopen we voort om de wolven en beren niet te verstoren. Een weldra vonden wij het eerste bewijs van wild: een enorme hoefafdruk van een eland in het slik van de rivieroever. Cor nam er een plaatje van met zijn maat 43 afdruk ernaast. Die foto toont nu een bruingrijze vlek tegen een grijsbruine achtergrond (bedankt nog,Foto Schievink). Druk discussiërend over de te volgen vluchtroute, indien wij de eland in den lijve tegen zouden komen, vervolgden wij onze weg en we kwamen uiteindelijk uit op een lieflijke kleine weide langs het murmelende water. Prachtige wilde bloemen in allerlei zeldzame kleuren werden bruut geplet toen wij onze tent overoverheen opzetten. We besloten dat we, na alle ontberingen van het woudlopen, wel een noodrantsoen verdiend hadden. Met eipoeder en rivierwater en gevriesdroogde groenten maakten we een knarsende omelet (die groenten moesten langer weken dan onze knorrende magen bereid waren te wachten) en nadat dat feestmaal gebezigd was genoten we van de hoorbare stilte en de midzomernachtszon.

De volgende ochtend waren we weer vroeg uit de veren, om de tocht der tochten voort te zetten. Wat vlot van start ging behalve dat Cor bij het ochtendtoilet bijna struikelde over een vos die geen voorrang gaf. Verder over kronkelende wildwissels ging het met een geschatte 25 kilo op de rug. Bij nader inzien was landlopen eigenlijk best wel vermoeiend en de wolven en beren waren nog steeds in geen velden of bossen te bespeuren en die bossen… er kwam maar geen eind aan. Ik bedoel, de Dotdtsche Bieschbos daar ben je in een dag wel doorheen, maar hier sukkelden wij al twee dagen voort en al die tijd geen levende ziel gezien. Wij begonnen te vermoeden dat we wel eens hopeloos verdwaald zouden kunnen zijn. We are no longer in the Kralingsche bos, zei ik tegen Cor, die zich vast op dát preciese moment realiseerde dat hij een geboren stadsmens was. Het was practisch onvermijdelijk dat onze gebleekte botten over tien jaar pas zouden worden aangetroffen…

En toen, als een donderslag bij heldere supercel, lag ie daar, de snelweg! Redding was nabij. Het bleek zelfs veel naderbij dan wij hadden vermoed, want de weg volgend stonden we diezelfde namiddag alweer achter het vertrouwde vakantiehuisje in Duved, op loopafstand van basmüsli en Marabou chocolade in de lokale Konsum supermarkt. Wij bezwoeren elkaar, na onze bijna-dood ervaring, om verder alle onverharde paden te vermijden op onze reis… (wordt wederom vervolgd)

Posted in Paul Nijbakker, Reisimpressies, Standplaats Tornio | Tagged , , | 6 Comments

Een Dappere Dame

De Dappere Dame

Met een glimlach de wereld rond…

PaulOnlangs keerde ik met de bus terug uit Rovaniemi na een trainingssessie voor uitwisselingsstudenten (waaronder een hele meute Nederlanders). Zes uur onderweg voor vier uur onderwijs; het is in Lapland geen uitzondering. Op het busstation had ik een oudere buitenlandse dame opgemerkt. Ik versleet haar aanvankelijk voor een net gearriveerde asielzoekster en dacht er verder niet over na.

Het toeval wilde echter dat we in dezelfde bus terecht kwamen en dezelfde bestemming hadden. Dat kon de dame mij zelf niet vertellen want het bleek dat ze geen Engels of andere Europese taal sprak, alleen Chinees. Maar ik kon het aflezen van haar biljet. Bij de overstap op de bust naar Tornio nam ik haar dan maar al gebarend op sleeptouw om te zorgen dat ze op de bestemming aankwam.

Op het busstation van Tornio-Haparanda bleek evenwel, zoals ik al vermoed had, dat er geen bussen meer vertrokken die avond. Het probleem was om dat de dame duidelijk te maken. Gelukkig herinnerde ik mij een Chinese studente in ons internationale on-line Master’s programma, die ik de dag ervoor onderwezen had. En toevallig wist ik ook waar die studente die avond zou zijn, want ik was zelf onderweg naar die cocktailparty in het lokale kunstmuseum (Wij hebben namelijk een kunstmuseum in Tornio; dat u niet denkt dat we hier geen beschaving kennen). Om die reden (en omdat ik niet wilde dat een dame op leeftijd noodgedwongen de nacht moest doorbrengen op het busstation) sleepte ik haar (figuurlijk) mee naar het museum.

Na een druk gesprek met de dame kon onze studente mij vertellen dat de dame gepensioeneerd was en haar pensioen spendeerde aan reizen. Haar doel was de Noordkaap, maar die was vanuit Rovaniemi niet meer bereikbaar na het hoogseizoen. Vanuit Kemi-Tornio is er ook geen verbinding met de kaap anders dan per auto. Haar alternatieve bestemming was Stockholm. Tijdens het gezellig samenzijn wist de dame ons voorts duidelijk te maken dat ze de halve wereld al had afgereisd. Haar paspoort stond vol visa, van Rusland tot aan Nieuw Zeeland (Dat moet wel een imponerend pensioen zijn dat ze geniet). En dat alles had ze dus geklaard zonder Engels te spreken! De Master studenten waren erg onder de indruk.

Ik bood aan dat de dame de nacht kon doorbrengen in mijn gastenverblijf (gewoon de kamer van de uitgevlogen dochter) om dan de volgende dag de bus te nemen. Dat aanbod werd gaarne aanvaard. Dus zat ik even later op de bank met een wildvreemde met wie ik geen woord kon wisselen. Gelukkig bood Google Translate een uitweg. Met haar kaart en wat tekeningetjes vroeg de dame of er een alternatieve route naar de Noordkaap was, per boot. En die is er: de Noorse veerdienst Hurtigruten vaart op en neer van Bergen naar Kirkenes en terug. Het is een prachtige, hoewel zeer prijzige, cruise.

Ik zocht voor de dame uit hoe ze vanuit Tornio, via Luleå en Narvik in Harstad kon komen om daar op de boot te stappen en ik schreef een briefje dat ze aan buschauffeurs en dergelijke kon laten zien, waarop ik in het Zweeds en Noors de reisplannen van de dame uit de doeken deed. Aldus uitgerust en wel stapte de dame de volgende ochtend bepakt en ge(rug)zakt weer op de bus, na vele sie sie.

Zoiets geeft toch wel te denken. Net nu ik midden in een ietwat weemoedig verhaal zit over hoe onbevangen de Triumviraatleden vroeger op reis gingen, kom ik iemand tegen die zo mogelijk nog vrijmoediger de wijde wereld intrekt. Ook op leeftijd, zolang je nog en rugzak dragen kunt, is the sky, of in dit geval de Noordkaap, the limit! Ik hoop dat deze dappere dame de kaap bereikt en tevens dat ze mooi weer heeft onderweg. 🙂

Posted in Paul Nijbakker, Standplaats Tornio | Tagged , , , | 12 Comments