OVER APENVERSCHRIKKERMAKERS EN UTOPISCHE GERECHTEN…

Zo nu en dan bekruipt elke sterveling wel eens het gevoel dat ie er even uit moet. Niet uit zoals in ‘even de krant halen’, of ‘de hond uitlaten’, neen, oh nobele lezert, ‘uit’ in de zin van de hele godvergeten teringmaatschappij achter je laten en eens rondkijken of er nog plekken bestaan die geen last hebben van Pannekoekengate, incontinente minister-presidenten en scheefwoners. Dat werk…

Op dat moment bekroop een drietal vrienden uit -010 hetzelfde gevoel (Rotterdammers voelen elkaar op hetzelfde moment altijd haarfijn aan) en niet veel later zaten we dan ook gevijven, onze drie vrienden, mijn vrouw en ik in een vliegtuigje op weg vanuit Bangkok naar een strand in het Zuiden van Thailand, niet te zuidelijk uiteraard, want daar begint weer een soort van maatschappij.

Onze behuizing was opgetrokken uit louter en alleen tropische houtsoorten en was voorzien van een keuken, een bescheiden bibliotheek, waar ik tot mijn grote opluchting geen boeken bedrukt met gouden reliefletters op de kaft in aantrof, een prettige verzameling hangmatten en het geheel was gelegen middenin een stuk primair regenwoud, waar woudreuzen eeuwen waren blijven doorgroeien en taropalmen floreerden, zo groot als een huis.

In de bomen rondom onze stee, speelden makaken, gibbons en langurs, een halfaap.

“Wanneer het een halfaap is, wat is die andere helft dan”, vroeg Frans, zonder zich te realizeren dat hij met die vraag de hele zoologische academische wereld op zijn kop zou zetten.

huusje

Op een ochtend kwam Anne Vera, de schoondochter van Frans en vriendin van Orfeo, Frans’ zoon, achter hun huis vandaan met de mededeling dat er een slang in de tuin was. ‘ Wat voor een?’ vroeg ik. ‘Istie groot?” “Nee, maar hij heeft wel een ratel”. ‘Huh, die komen toch alleen maar in cowboyfilms voor?’

Wij erop af, niet lullen, maar poetsen en ja hoor, daar lag Graaf Sliss, bewegingloos, met ratel en zijn dreigende kop vervaarlijk in de lucht. “Er zit niet veel leven in’, merkte Orfeo op. ‘Da’s normaal, zei ik gerustellend, ‘slangen liggen soms dagen uit te buiken wanneer ze net gegeten hebben’. Frans gooide een paar kiezels naar het monster, die daar nog steeds met opgeheven kop vervaarlijk lag te zijn. “Volgens mij ist een nepperd’, zei Frans en sprong gewapend met een twijg van de veranda af. Behoedzaam liep hij af op het reptiel dat de wereld zoveel narigheid heeft bezorgd sinds de schepping en begon het beest een beetje te jennen met zijn twijg. Het gewervelde monster negeerde het gekietel volkomen. Sterker nog, hij viel uit elkaar. “Zie je wel, een nepperd’, zei Frans triomfantelijk.

Wie legt er in godsnaam nu een plastic ratelslang in zijn tuin? Ning bracht uitkomst. Die plastic slangen hielden de makaken op afstand, want, oh lezert, makaken zijn het grootste tuig van alle apensoorten. Rovers en plunderaars. Je hoeft je tas maar een moment even uit het oog te verliezen en een makaak vliegt ermee de boom in om daar pas te kijken wat er in zit. Zit er niets van zijn gading bij, dan dondert ie de tas met dezelfde gang weer naar beneden. Dat soort gasten dus…

Ning vertelde dat in de provincie Rachaburi, waar haar vader woont en waar het sterft van de makaken, mensen zelf poppen maken met het uiterlijk van een krokodil. Die leggen ze dan op het dak van hun huis en houden zodoende de makaken op afstand. “Domme beesten”, snoof Orfeo, ‘wanneer ze niet eens het verschil kunnen zien tussen een echte krokodil en een pop”.

Kort na dit vreugdeloze avontuur bevonden we ons op het strand. Frans had een idee.

fransfrans 2frans 3

Na gedane arbeid van Frans de Apenverschrikkermaker, hadden we rest van de dag het hele strand voor ons zelf….

                                                                                     ETEN!!!

Apenverchrikker maken, maakt hongerig, dat spreekt voor zich, dus in de avond togen we naar een klein zandstraatje waar zich een aantal bescheiden restaurantjes bevond. We kozen voor het nondescripte etablisement “Utopia”, waar volgens de menukaart gerechten uit de Indiase keuken geserveerd werden. “Lekker, Indiaas”, dachten we in koor. We gingen zitten en na verloop van tijd kwam een jongen met een verwilderde haardos naar onze tafel zweven, gewapend met een stel menukaarten. We bestelden wat te drinken en te eten met het verzoek alles gewoon op het midden van de tafel te zetten zodat we van alles wat konden eten. De jongen straalde, bond zijn haar bij elkaar en zweefde terug naar de keuken. We kregen stellig de indruk dat onze ober zich tegoed had gedaan aan de gedroogde vorm van de Cannabis Sativa, een plantje waarover in grote delen van de wereld zoveel te doen is.

Na ongeveer drie kwartier kwam onze eerste bestelling, de felbegeerde Chicken Tandoori, drie stukjes gedroogde kip, ter grootte van een garnaal, die door de kok met liefde waren neergelegd op een paar uiringen.

“Ach, vanaf nu kan het alleen maar beter worden” zei Frans opgewekt, terwijl hij een een stukje gortdroge kip achter zijn huig propte.

Een klein half uur later leek de volgende bestelling te komen, en ja hoor, het was voor ons. Voorafgaand was onze jonge ober al een paar keer langs met iets wat we niet besteld hadden, alleen nu ging de pothead met onze Chicken Vindaloo naar een man aan een tafeltje even verderop. Die schudde van nee, en ons obertje zweefde terug naar de keuken waar hij 5 minuten later weer uitkwam om vervolgens, met onvaste tred, richting onze tafel uit te lopen. “Chicken Vindaloo”?. Ja, dat zijn wij, en gedrieen stortten we ons op de Chicken Vindaloo, die inmiddels, na eindeloos gereis tussen tafels, de temperatuur had aangenomen van de buitenlucht.

Er kwam nog een ander gerecht, Chicken Keema, en de rest van de gerechten die we besteld hadden, bleken alleen te bestaan op de menukaart.

Het was tijd om te gaan. We moesten immers nog eten. Orfeo en Anne Vera hakten van het absurde bedrag dat op de rekening stond, de helft af, er werd nog iets gestameld over ‘new cook’, en we liepen naar het alleraardigste Thaise restaurant een deur verderop. Want daar werd gewoon gekookt.

“Waar hebben we trek in?’, vroeg Anne Vera…

Advertisements
This entry was posted in Cor Verhoef. Bookmark the permalink.

5 Responses to OVER APENVERSCHRIKKERMAKERS EN UTOPISCHE GERECHTEN…

  1. Rob Alberts says:

    Ooit werd vol trots een zalige gemberkoek op een popfeest gepresenteerd.
    Iedereen was er van overtuigd dat dit spacecake was en spacede volledig.

    Misschien een aardig kadootje voor de beschreven kok?

    Maar goed ik woon dan ook in Amsterdam en heb misschien de verkeerde humor.

    Het onderzoek naar de andere helft van een halfaap zoek ik op.

    Vrolijke groet,

    • Cor Verhoef says:

      Rob, we gaan wellicht in de maand oktober weer terug. Ik kan allicht het recept voor een goede spacecake voor hem meenemen. Mogen we misschien wel gratis niet-eten.

      Vrolijke groet terug

      • Rob Alberts says:

        Achterin mijn kruidenkastje heb ik nog een verloren zakje lachkruid liggen. Dat mag je komen halen.
        Ik vergeet het steeds als een ietwat vreemde strooisellaag niet-Italiaanse kruiden op mijn pizza te strooien.
        Vrolijke groet,

  2. Apenverschrikkers zijn aan de straatstenen niet kwijt te raken hier in Lapland; zelfs die ettertjes van de buren worden er niet door afgeschrikt. Zijn ze misschien te re-branden als Jehova-repellers?

  3. Anton Lustig says:

    Leuke trip zo te lezen en blijkbaar behoorlijk inspirerend.
    Inventieve gast, die Frans.

Leave a Reply

Fill in your details below or click an icon to log in:

WordPress.com Logo

You are commenting using your WordPress.com account. Log Out / Change )

Twitter picture

You are commenting using your Twitter account. Log Out / Change )

Facebook photo

You are commenting using your Facebook account. Log Out / Change )

Google+ photo

You are commenting using your Google+ account. Log Out / Change )

Connecting to %s