Over mijn Monsters…

PaulIk zag onlaatst een waardeloze rolprent: Land of the Lost (2009). Ik wist het vooraf: Een Amerikaanse komedie met Will Ferrell als hoofddrol staat garant voor een draak van de onderste plank, of, in dit geval, een coproliet (leuk scrabblewoord; Antoinette weet wat het betekent) van onleukigheden rond een dikkige oudere man die zich gedraagt op een wijze die bij Amerikaanse pre-teens klaarblijkelijk grappig overkomt (met andere sleutelwoorden: poep, pies en smoezelige sexuele suggestie). Een kinderachtig wanproduct, maar, zo zegt de behulpzame en bezorgde medeblogger, als je het wist, waarom kijk je er dan naar?!

Een alleszins redelijke vraag waarop ik het antwoord niet schuldig blijven zal: Er stond een tyrannosaurus rex op de DVD omslag!

Monsters in het algemeen en dinosauriërs in het bijzonder zijn voor mij onweerstaanbaar al sinds mijn kindertijd (de tijd dus toen ik bovenvermelde cinematografische misgeboorte misschien nog leuk had gevonden (alhoewel… mijn vroegere ik staart mij nu vanuit het grijze verleden tot op het bot beledigd aan!)). Hoe dan ook, het is sterker dan ik; als ik weet dat een film dinosauriërs of andere voorhistorische monsters ten tonele voert krijg ik een onbedwingbare lust hem te zien.

Precies wanneer die fascinatie begon is moeilijk te zeggen, maar dino’s zijn de ultieme monsters voor jongensboekavonturen. Iemand schreef ooit dat de aantrekkingskracht van dino’s op kinderen drieledig is:

  1. Ze zijn heel erg groot
  2. Ze zijn heel erg woest
  3. Ze zijn heel erg uitgestorven

Deze combinatie staat garant voor heel erg veilig griezelen. Clowns zijn eng, want die kan je bij wijze van spreken op iedere straathoek tegenkomen, maar dinosauriërs zijn al zo ontiegelijk lang verdwenen dat ze geen echte dreiging meer vertegenwoordigen.

Als kind las ik elk (plaatjes)boek over dinosaurussen (sic.) dat de (school)bibliotheek rijk was en ik ging uit mijn (bescheiden schedel)dak wanneer er een oude creature feature op televisie of in de bioscoop kwam (voor dat laatste moesten we naar een naburig dorp, want Pape City had geen bioscoop, kan je nagaan!). Monsters zijn door de hele filmgeschiedenis heen goed geweest voor rinkelende kassa’s (ik ben dus niet de enige fan). Vóór de introductie van computeranimatie moest de kijker echter niet te kritisch zijn want de methodes om dinosauriërs in beeld te brengen waren beperkt.

  1. Je kon een man in een rubber monsterpak hijsen en hem naast miniatuurboompjes of minirotsen filmen, zoals in Unknown Island (1948). Het nadeel was dat de acteurs niet echt natuurlijk konden bewegen.
  2. Je kon varanen, leguanen of alligators beplakken met valse hoorns, stekels of vinnen en ze op een maquette laten rondlopen, zoals in One million B.C. (1940). Die beesten bewogen wel natuurlijk, maar ze waren erg lastig te coachen en ze moesten warm gehouden worden anders verroerden ze geen vin. Bovendien was het in veel landen verboden om dieren te laten vechten. De monstergevechtscenes uit One Million B.C. werden om die reden dan ook vele malen hergebruikt in andere films.
  3. De beste methode was stop motion, een techniek ontwikkeld door Willis O’Brien en tot grote hoogte gebracht door Ray Harryhausen, waarbij kleine modellen stukje bij beetje werden gemanipuleerd en beeld voor beeld werden opgenomen. Deze techniek werd voor het eerst in een bioscoopfilm gebruikt om dinosauriërs tot leven te wekken in The Lost World (1925), maar werd pas echt populair in de eerste versie van King Kong (1933). Stop motion, soms aangevuld met de bovenstaande methodes stond aan de basis van de hausse aan monster films in de jaren vijftig en zestig.

Langzamerhand kwam er echter de klad in de voorhistorische monsterfilms, jammer genoeg. Een remake als One Million Years B.C. (1966) was nog wel een hit, maar dat kwam vooral door het dartel gespartel van een jonge Raquel Welch in een minieme bontbikini. De jaren zeventig en tachtig waren magere jaren voor monsterfans en dinosaurussen waren verworden tot kost voor kleuters, bijvoorbeeld in The Land before Time (1988) of in de vorm van die superhinderlijke Barney figuur (vlug, een teiltje!).

Gelukkig was daar Stephen Spielberg die wel iets zag in een monsterfilm met dinosauriërs. Voor ons dinosauro-cinemafielen valt de filmgeschiedenis dan ook te verdelen in twee tijdperken, vóór en na Jurassic Park (1993). Computeranimatie maakte het mogelijk de monsters levensechter dan ooit over het scherm te laten draven en de dino’s zelf hadden onder invloed van de voortschrijdende paleontologie ook een face-lift ondergaan, van schuifelende giganten tot gezwinde gevaartes. De resulterende dinohype was zo winstgevend dat het de aanzet gaf tot talloze remakes van en vervolgen op prior art (onder andere een bijzonder slechte 3D versie van Journey to the Centre of the Earth (2008)) alsook nieuwe verhalen die onvermijdelijk varieerden van interessante exercities (bijv. A Sound of Thunder (2005)) via briljante TV series als Walking with Dinosaurs (1999) tot pure bloederige pulp (bijv. Carnosaur (1993) en de onvermijdbare sequels). Al met al een ontwikkeling die deze monstermaniak zeer tevreden stemt.

En Land of the Lost? Nou, de dinosauriërs waren goed, de rest was crap.

Advertisements
This entry was posted in Filmbeschouwing, Paul Nijbakker and tagged , , , . Bookmark the permalink.

2 Responses to Over mijn Monsters…

  1. Anton Lustig says:

    Je bent niet alleen een leesbeest, je bent ook een filmkijkbeest.
    4. Ze zijn heel erg anders.
    Gefossiliseerde drol? Haha.

  2. Pingback: Gatverdamme wat is het glad! | Het Triumviraat

Leave a Reply

Fill in your details below or click an icon to log in:

WordPress.com Logo

You are commenting using your WordPress.com account. Log Out / Change )

Twitter picture

You are commenting using your Twitter account. Log Out / Change )

Facebook photo

You are commenting using your Facebook account. Log Out / Change )

Google+ photo

You are commenting using your Google+ account. Log Out / Change )

Connecting to %s