Het is ook altijd hetzelfde met blondines en spookdieren

EdHet was een vergeneuglijk toeven op Pulau Bunaken het paradijselijke eiland voor de kust van Noord Sulawesi. Ik had al meerdere duiktripjes gemaakt naar de schitterende koraalriffen hier, die minstens zo spectaculair waren als waar ik ter wereld ook eerder gedoken had. Het weer was gunstig voor de tijd van het jaar en noch mensenhaaien, noch de Abu Sayaf terroristen hadden zich laten zien. Het dreigde met andere woorden een tam tripje te worden, ware het niet dat ik tussen de duikexcursies door een jungletripje gepland had. Elke dag afdalen naar 30 meter diepte of meer resulteert bij mij vaak in oorirritaties die verder duiken onmogelijk maken dus ik wissel het jolijt onder water gaarne af met wat de oppervlakte aan vermaak te bieden heeft: een beetje spelevaren, een beetje zwemmen, een beetje brandingbabes bekijken vanuit de luxueuze beach bar aan het zonovergoten tropische palmenstrand. (Ik weet het: Ik ben zielig, het leven is een lijdensweg…)

Een door massatoerisme overspoeld strand op Bunaken

Een door massatoerisme overspoeld strand op Bunaken

Maar aangezien de dure drankjes in de lounge chair al gauw stierlijk gaan vervelen en de lokale Unox dames niet veel soeps waren en bovendien de natuurgidsen ter plaatse ook graag een grijpstuiver wilden verdienen, had ik dus getekend voor een oerwoudwandeling met als uiteindelijk doel het kleinste aapje ter wereld te aanschouwen (Om precies te zijn gaat het hier niet om een aapje, maar om een spookdiertje, een familie primitieve halfaapjes die alleen voorkomt op de eilanden van Kalimantan, Sulawesi en de Philippijnen.) Het was niet het beste seizoen voor zo’n uitstapje aangezien de natte moesson nog niet voorbij was, maar een jongen van Jan de Wit, eentje van stavast, vol van de VOC spirit, zullen we maar zeggen, (Wat zal Jan-Pieter trots zijn op zoveel élan) gaat zulke uitdagingen niet uit de weg.

Enfin, op de dag van de junglehike verscheen ik beslagen ten ijs (Ha ha, ik veroorloof mij een kwinkslag ten koste van Paul; het enige ijs dat ik hier ken drijft in mijn Jack Daniels!), want ik woon al wat langer in Insulinde en contrijen. Naast de twee jonge local guides omvatte de expeditie een achtal toeristen waaronder een typisch Japans stel (hij met bril, zij iets kleiner), een korte, harige Francaise, een Jessica Simpson kloon en de spreekwoordelijke dikke Duitser, allen in verschillende staten van undress. Ik wisselde een blik met de gidsen, maar die haalden enkel glimlachend de schouders op. Welaan, de paden op de lanen in dan maar.

Nou ja, paden was een groot woord, laat staan lanen, het waren meer willekeurige wildwissels die gevolgd werden. De Duitser ging aanvankelijk voorop, wat wel handig was want dat stampen hield de slangen op afstand, maar al snel zakte hij af naar de staart van het peleton. Binnen een kwartier vroeg ie of het nog ver was naar de aapjes. En de gids maar proberen uit te leggen dat het oerwoud iets minder voorspelbaar is dan, pakweg, een dierentuin. Het kan zijn dat je de diertjes al in 20 minuten te zien krijgt, het kan ook een paar uren duren en het is tevens mogelijk dat je ze helemaal niet tegenkomt.

De dappere dodo’s kwamen er zo langzamerhand achter dat hun quality beach wear niet het meest geschikte attire is voor ein tippel zwischen ze trees (De beheersing van de moerstaal gaat met sprongen vooruit bij de gemiddelde expat). De tocht glibberde over zwammerige stronken en door brede, blubberige bergbeken en, tja, dáár zijn de Manolo Blahnik’s niet op berekend. Overal rondom was er opdringerig klam loof dat zich bij voorkeur pal in het gezicht introduceerde, of met schalkse doorntjes naar ieder plekje onbedekte huid tastte. Daarbij komt dat alles wat er in het tropische struweel rondwriemelt van het bijtende, stekende of zuigende genre is; de natte droom van iedere entomoloog, maar mijn reisgezelschap, hoewel kletsnat, behoorde niet tot die nobele beroepsgroep. Desondanks greep met de regelmaat van de klok iemand uit het gezelschap zich vast een deze of gene liaan om zich staande te houden op de glibberige, zompige bosbodem wat steevast resulteerde in een regen van creepy crawleys op de onbeschermde kruinen, blote armen en benen; bal!

Naarmate de expeditie vorderde werden de blikken op mijn stevige schoenen, lange broek, jack en hoedje steeds haatdragender. Om maar niet te spreken van mijn rugzakje waarin de goegemeente een grote fles water wist. Het is een merkwaardig fenomeen dat lieden die eerst hun eigen flesje water zonder te delen leeglurken (of cool over hun gezicht gieten), daarna menen dat jij de morele plicht hebt om hen uit te nodigen ook jouw water op te drinken. Vooral rondborstige blondines lijden aan dat soort waanvoorstellingen. Ik maakte evenwel mijn gevreesde reputatie als utterly immoral he-man wederom waar. Bij deze dame had ik dan ook op slag geen sjans meer.Lachen

Uit de goedheid van mijn hart liet ik het reisgezelschap wel gebruik maken van mijn rugzakje, om er hun peperdure Niekons in op te bergen, toen er een mild plensbuitje viel, of in het geval van de overige ontdekkingsreizigers overviel. Gek hè, ze hadden zich nooit afgevraagd waarom het REGENwoud zo heet. Ik stak gewoon mijn parapluutje op. Tijdens een jungle walk in de Maleise Cameron Highlands met Paul had ik ooit het nut van een dergelijk artikel in zo’n situatie aan den lijve ondervonden. (Die onvolprezen reisplu, 5 gulden bij de Hema destijds, valt nu nog te bewonderen in het header logo van het Drieklank blog, vereeuwigd op het drukke toeristenstrand van Pulau Pangkor, Malaysia.) De rest van mijn gezelschap had die onontbeerlijke levenservaring nog niet opgedaan en stond op een druipend kluitje een beetje bij elkaar te bibberen. Ik knabbelde met smaak nog een mueslireepje op en werd met de minuut minder populair.

Toen het buitje overgedreven was, even plots als het begon, zoals zo vaak, hadden de drieste doorzetters het wel gehad en ging de tocht, via een ander route, weer op het resort en de beach bar aan. Het “fantastic” regenwoud was een “fucking hell” geworden in het tijdsbestek van luttele uurtjes en een enkele regenbui. Net toen de Duitser weer eens wilde vragen wo de baanhof was, wees de voorste gids naar de kroon van een woudreus. Als op commando knikten de hoofdjes naar boven en een kleine schermutseling ontstond toen iedereen tegelijk zijn Niekon uit mijn rugzakje wilde grissen. Een hele batterij telelenzen zoemde pront naar voren, en de Duitser maakte geheel per abuis een shot van de borsten der blondine. Weldra werd het geknierp en geknarp van de veelpotige oerbosbewoners ruimschoots overstemd door het lustigen klikken en zoemen van het digitale cameragebeuren.

Daar is ie dan, het spookdiertje

Daar is ie dan, het spookdiertje, ook wel tarsier genoemd

Mijn arendsblik boorde zich door het gebladerte en ontwaarde een bruin stipje dat slaperig rondscharrelde in het loofrijke takkenwerk hoog boven de grond. Ik schatte het beestje in als nog kleiner dan mijn Nokia e-phone (Ik heb namelijk een…), het maakte zijn reputatie geheel waar. Maar de filmende medemens was helemaal niet te spreken over het feit dat hun buit exact als geadverteerd bleek te zijn: een piepklein aapje in een héél grote boom in een heel groot oerwoud, waar je letterlijk door de bomen het bos niet kon zien (Hier ligt voor Bruynzeel nog een mooie taak weggelegd.) Ik hoorde dan ook in verschillende talen de edele frase “Ik zie geen fuck” klinken, waarna de ene gids tegen de andere iets zei in de trant van “Het is ook iedere keer hetzelfde liedje met die kolere-belandas!”. Ik besloot terstond ze een extra fooi te geven…

Paul(Dit is een relaas van triumviraatlid Ed  terBuyl gedaan via Skype en door mij naar beste vermogen weergegeven. Mijn kanttekeningen zijn in cursief. De plaatjes komen uit Wikimedia). Ed wilde aan dit relaas nog toevoegen dat, nadat de bovenstaande taferelen zich afgespeeld hadden, een van de gidsen het schuwe spookdiertje naar beneden lokte met wat smakelijke sprinkhanen of ander ongedierte. Zodra hij even omlaag komt voor zijn snackje, is het voor de toeristen ter plekke onmiddelijk flitsen geblazen met de camera.
(Zodat u niet denkt dat die gidsen geen kwaliteitsprodukt afleveren met zo’n jungle trek.)

Advertisements
This entry was posted in Ed ter Buyl, Reisimpressies and tagged , , , . Bookmark the permalink.

7 Responses to Het is ook altijd hetzelfde met blondines en spookdieren

  1. Ragrenner says:

    Hoi, even geabonneerd hier, kom later terug om te lezen.

  2. Anton Lustig says:

    Veel gelachen hier. Om dat half-Duits en die zwiepende takken en zo. Typisch dat dat spookdiertje – schattig! – niet verjaagd wordt door dat stampen en gekwetter der toeristen.

  3. Anton Lustig says:

    PS Kunnen we gauw een nieuw blog tegemoet zien, al of niet samen met Paul geschreven?

  4. Pingback: OVER DE MODERNE JOURNALISTIEK EN HAAR KOPPENMAKERS… | Het Triumviraat

  5. @Ragger,
    Hoop je weer terug te zien, kan je op je blog niet meer vinden.

    @Anton,
    Als ik het zo teruglees was dit wel één van Ed’s meest geslaagde blogs, als heren onder elkaar gesproken en verzwegen.

  6. Pingback: Het Nieuws, chotvâhdechotvâh | Het Triumvieraat

Leave a Reply

Fill in your details below or click an icon to log in:

WordPress.com Logo

You are commenting using your WordPress.com account. Log Out / Change )

Twitter picture

You are commenting using your Twitter account. Log Out / Change )

Facebook photo

You are commenting using your Facebook account. Log Out / Change )

Google+ photo

You are commenting using your Google+ account. Log Out / Change )

Connecting to %s