Zoete bonen (Een waargebeurde Kerstvertelling)

PaulIk loop in een winterstad
Van grijstinten en
Smeltend beton
Zonder sneeuw
Het is lelijk
Ja, het is subliem
Zo los van het leven en los van de tijd
Voel ik me heel even
Een stukje eeuwigheid

Zo bedenk ik, terwijl ik over de Heerebrug richting Heereweg wandel. Ik voel me licht in mijn hoofd, maar anders niet anders, hoewel ik al dagen niets gegeten heb. Het is winter in Groningen; de lucht is grijs, de wereld grauw en ik ben bleek van gebrek.

Op de oprit van het spoorviaduct van de Heereweg vertraag ik mijn pas om niet te vermoeid te raken. En zoef, daar passert me een eenzame fietser die kromgebogen over z’n stuur tegen de oprit optrapt met een verbeten gezicht; een lange rood-witte sjaal wappert achter hem aan. Zijn fietstassen puilen uit van de boodschappen en als hij bovenaan de helling een kuiltje in het asfalt raakt valt er een blik uit de rechtertas en rolt tot aan mijn voeten. Ik zie het helder, een groot blik sperciebonen.

Ik roep: “Hee!”, maar de eenzame fietser kijkt niet op of om.

“Je laat wat vallen”, voeg ik er nog zwakjes aan toe en kijk naar het blik.

Het jaar is 1984. In November van dat jaar organiseerden de gezamelijke hulporganisaties een grote actie tegen de honger in de wereld: Eén voor Afrika, een korte ontsnapping aan het ik-tijdperk, een kleine opwelling van solidariteit met de zwakkeren. Er waren fakkeloptochten en manifestaties in meerder plaatsen in Nederland. In Groningen presenteerden Joop Daalmeyer en Tineke de Groot in de veehal een deel van een nationale TV-uitzending, georganiseerd door de publieke omroepen. Ik was erbij en ik voelde dat ik recht had daar te zijn, want in de dagen daarvoor had ik de helft van mijn banktegoed overgemaakt op giro 555 van de gezamenlijke hulporganisaties. Nu was dat geen groot bedrag, want als student leefde ik enkel van een basisbeurs, een bijbaantje had ik toen nog niet, maar voor mij was het een groot gebaar en ik voelde me erg deugdelijk bij.

Het was een te groot gebaar, bleek enige weken later toen, ondanks mijn pogingen tot rantsoenering, zowel mijn geld als mijn levensmiddelenvoorraad schoon op waren. Ik had alleen nog thee en wat rietsuiker. Daarmee zou ik het moeten redden tot het Directoraat Studiefinanciering weer over de brug zou komen. Wanneer dat zou zijn, wist je nooit zeker in die dagen. Maar ik was jong en sterk en overtuigd dat ik het kon klaren. In mijn arrogantie had ik zelfs nog een deel van mijn December rantsoen besteed aan kerstkaartjes en zegels, want daar hechtte ik aan.

Het duurde een tijdje voor de honger begon te knagen. Ik had tot dan toe enkel lekkere trek gekend, of het soort honger dat je voelt na noeste, gedane arbeid. De honger die voortkomt uit een langdurig gebrek aan voedsel was nieuw voor me en ik bestudeerde mijn reacties met een geïnteresseerde welhaast klinische blik. Ik stelde vast dat de fysieke honger na een dag of drie vrijwel verdween, maar de mentale honger nam toe en mijn brein ontwierp allerlei strategieën om aan voedsel te komen, ingeval ik zou verzwakken. Ik overwoog om de stad uit te fietsen en te kijken of ik nog paardebloembladeren of brandnetels kon vinden, maar ik wist niet of die energieinvestering zou opwegen tegen de eventuele oogst. Ik overwoog ook om na de markt de afvalcontainers af te struinen voor gekwetst fruit en verlepte groente. Al die opties hield ik achter de hand, maar in de tussentijd stelde ik me mentaal teweer. Begeren is lijden, behoefte zwakheid. Ik had niets of niemand nodig en daarom was ik tevreden. Tevredenheid is de meest bereikbare vorm van geluk.

Mijn tevredenheid werd evenwel hard op de proef gesteld door de kerstcommercie. Elke dag liep ik van mijn studentenkrot naar de faculteit of de universiteitsbibliotheek om mijn geest te voeden. Het Kerstreces was ingegaan en al mijn jaargenoten waren al naar huis vertrokken. Wie achterbleef in Groningen haastte zich van winkel tot winkel voor de Kerstinkopen.  Nooit was ik mij meer bewust van de mentale last die de uitgedragen commercie op ons bewustzijn legt. Etalages, posters, geur en geluid ; alles herinnerde mij eraan dat ik niets had, dat ik niets kon krijgen zelfs al zou ik het willen. Elke keer als ik door de Heerestraat liep voelde ik me een stuk minder gelukkig. Ik dacht aan mijn moeder die zo graag wilde dat ik met de familie Kerst zou vieren, en aan het Kerstontbijt en het Kerstdiner dat op tafel zou staan thuis. Je kan dan wel niemand nodig hebben, maar wil je dat ook altijd?

Nu keek ik naar een blik sperciebonen aan mijn voeten. De wapperende das verdween al knarsend aan de andere zijde van het viaduct.

“Dankjewel”, zeg ik nog in zijn richting en ik raap het blik bedachtzaam op. Ik moet onvermijdelijk denken aan het spreekwoord dat honger rauwe bonen zoet maakt en ik lach.

En met een buik vol wonderzoete haricots verts overwon ik die avond mijn trots en leende een kwartje van de bovenbuurvrouw, om mijn broer te bellen me te komen afhalen. Ik ging naar huis voor Kerstmis…

Advertisements
This entry was posted in Paul Nijbakker and tagged , , , . Bookmark the permalink.

One Response to Zoete bonen (Een waargebeurde Kerstvertelling)

  1. Pingback: Zomaar een dame (Een waargebeurde kerstvertelling) | Het Triumvieraat

Leave a Reply

Fill in your details below or click an icon to log in:

WordPress.com Logo

You are commenting using your WordPress.com account. Log Out / Change )

Twitter picture

You are commenting using your Twitter account. Log Out / Change )

Facebook photo

You are commenting using your Facebook account. Log Out / Change )

Google+ photo

You are commenting using your Google+ account. Log Out / Change )

Connecting to %s