VIVA MEXICO (4) DE TENT BIJ TAMPICO…

CorHet plein, de “Plaza de Armas”, was gedrenkt in de geur van ananas, kokos en papaya afkomstig van een fruitsalon, waar hemelse fruitshakes werden gefabriceerd. We zaten allebei op het terras van salon met een ijselijke guaveshake voor ons neus. De olie-achtige lucht vervoerde een heel arsenaal aan andere geuren die we niet helemaal konden plaatsen, maar ‘rottende dingen’ was er een van…

Behalve de shake stond er een half opgevroten pak Maria-kaakjes voor ons neus. Rene had al een week geen fatsoenlijke maaltijd naar binnen kunnen werken. Een amoebe familie kampeerde al 8 dagen in zijn darmstelsel.

“Nog een kaakje, Rene?” vroeg ik.

“Nee, bedankt. Ik maak er net een uit.”

Tampico… de legendarische, stomende havenstad aan de Golf van Mexico. We waren in de tropen. Rene zat van top tot teen onder de mierenbeten waarvan ie de helft opengekrabt had. Na een treinreis van een eeuwigheid hadden we besloten na aankomst te gaan kamperen op een strand nabij Tampico. Het was half november en het zeewater was warm als snot. Heerlijk. In het donker zetten we het miniscule tentje op, terwijl de volle maan hielp bij het vinden van de haringen.

Er was helemaal niemand op het strand en het gebeuk van de golven gaf ons het gevoel van oneindige gelukzaligheid.

De tent stond en we besloten er in te gaan liggen. Eerst gooiden we onze slaapzakken naar binnen om vervolgens onszelf naar binnen te wurmen. Eenmaal tegen elkaar aanliggend, in de slaapzakken, kreeg ik het ineens gruwelijk benauwd.

“Ik sterf de moord hier”

“Meur jij zo?” vroeg Rene, half kokhalzend.

“Ik ga buiten liggen. Ik trek dit niet. Ik heb frisse lucht nodig”.

Ik ritste de tent open en kroop, in mijn slaapzak, naar buiten. De maan bescheen iets wat op een vlak stuk terrein leek. Na een paar minuten lag ik opgelucht op mijn rug naar de sterrenhemel te kijken, wachtend op de slaap. Rene lag nog steeds in de tent, waarvan ie de rits opengelaten had, waarschijnlijk om de stank van de tent, die twee weken niet gelucht was, enigszins te doen vergeten.

Ineens voelde ik overal jeuk.

“Ik word hier helemaal opgevroten’, dacht ik. Terug naar de tent.

“Wat doe jij hier?” voeg Rene toen ik mijn hoofd weer door de tentopening stak. “Het sterft daar van de beesten, ik kom weer hier liggen”.

Even later lagen we weer tegen elkaar aangeperst.

“Ik wordt helemaal gek van de jeuk” klaagde Rene. “Geef de zaklamp eens.

Ik het schijnsel van de zaklamp zagen we ontelbare rode mieren, dol van woede, door onze slaapzakken krioelen. Ik was buiten in een mierennest gaan liggen.

In een oogwenk stonden we allebei spiernaakt buiten en zetten het op een rennen, naar de branding.

De duik in de zee was weldadig en het zoute zeewater brandde in de door de mieren geslagen putten in onze huid.

We wachtten tot de zon opkwam, pakten onze spullen in en flikkerden de tent in een oliedrum die als vuilnisbak diende.

Kamperen is voor losers…

Advertisements
This entry was posted in Cor Verhoef, Reisimpressies and tagged . Bookmark the permalink.

Leave a Reply

Fill in your details below or click an icon to log in:

WordPress.com Logo

You are commenting using your WordPress.com account. Log Out / Change )

Twitter picture

You are commenting using your Twitter account. Log Out / Change )

Facebook photo

You are commenting using your Facebook account. Log Out / Change )

Google+ photo

You are commenting using your Google+ account. Log Out / Change )

Connecting to %s