Voortaalvoertrekkers

PaulWeergedreven regennevel, de wind jaagt deels in ontbindende staat verkerend loof door de straten; Papendrecht in de herfst. Hier zit ik in de openbare bibliotheek en bedenk hoeveel hectares voorland ik hier liggen heb.

In mijn deerniswekkende jeugd, zodanig deerniswekkend dat ik zelf soms met moeite mijn tranen kan bedwingen, beschouwde ik de bibliotheek als het voorgeborchte van het paradijs. Het leek mij de ideale baan om in een bibliotheek te mogen werken met al dat literaire snoepgoed onder handbereik. Van boeken kon ik nooit genoeg krijgen en elke expeditie langs de boekenkasten was een zoektocht naar ingebonden schatten. En als ik dan met de jachtbuit huiswaarts keerde, was ik opgewonden en ongeduldig als een kind met de zak van Snieklaas.

De leden van het triumviraat scholen en zweren samen in 1979De bibliotheek van Papendrecht stelde ons, de leden van het Triumviraat, destijds in staat te reizen over de zeven zeeën naar het einde van de aarde en over de grenzen van onze fantasie. Het dreef ons verlangen naar de gordel van smaragd en de eeuwig zingende bossen van het Noorden. Het hielp ons om onze ontsnapping uit Papetown te plannen, in dromen, in woord en uiteindelijk in daad, inderdaad.

De oplettende lezer kan in mijn bovenstaande mijmering al referenties herkennen aan sommige taalkunstenaars welke mijn idiolect beïnvloed hebben (onder andere, Marten Toonder, Fons Jansen, Multatuli). Als ik schrijf over een heel lekker drankje, denk ik zelf aan Youp van ’t Hek en als ik het in hetzelfde verhaal een knikkerkoning noem, knik ik naar Freek de Jonge. Wanneer ik de naam van een gogo bar omschrijf als erg origineel, klinkt Herman van Veen weer door in mijn woorden. Indien ik Ghadaffi relateer aan bavianenschurft (en neutronenkorrels!), hoort de kenner meteen Van Kooten en De Bie. Een dromend meisje van dertien smaakt onvermijdelijk naar Paul van Vliet en ga zo maar door. Ik spreek andermans woorden; van kleuterstripboeken tot literatuur, van televisiereclames tot oudejaarsconferences, ik heb ze me eigen gemaakt. Het zou nogal wel zo tamelijk van de gekke zijn (Jean Dulieu en Wim Meuldijk) als onze woordenschat en uitdrukkingsrijkdom niet gevormd en beïnvloed waren door de diverse taalmakers waaraan we in onze jeugd blootgesteld stonden. Rare jongens die lieden (Astérix) die hun taalgebruik als puur en onbezoedeld beschouwen, want iedereen staat verbaal op de schouders van zijn voorgangers. Het is onvermijdelijk; taal komt niet uit als meeuwenflatsen (Haribo) de lucht vallen, maar wordt ingevuld vanuit het taalmilieu. Ieder woord dat we bezigen komt van iemand anders (neologismen daargelaten) en kan door anderen hergebruikt worden. Het enige dat wijzelf toevoegen is de herstructurering en recombinatie van de termen, dat is het wat ons idiolect vormt, waarmee we ons taalmatig van anderen onderscheiden. We smelten de frasen (Goudkuipje) en dat is goed zo, want het blogt zo heerlijk weg (Caddy).

Advertisements
This entry was posted in Paul Nijbakker and tagged , , . Bookmark the permalink.

One Response to Voortaalvoertrekkers

  1. Pingback: Voertaalvoortrekker: Jean Dulieu | Het Triumviraat

Leave a Reply

Fill in your details below or click an icon to log in:

WordPress.com Logo

You are commenting using your WordPress.com account. Log Out / Change )

Twitter picture

You are commenting using your Twitter account. Log Out / Change )

Facebook photo

You are commenting using your Facebook account. Log Out / Change )

Google+ photo

You are commenting using your Google+ account. Log Out / Change )

Connecting to %s